donderdag 2 oktober 2014

Opdracht 3

Karakter

Ferdinand Bordewijk heeft niet gebruikt gemaakt van gecompliceerde formulerende zinnen noch heeft hij woorden gebruikt waarbij de betekenis niet in mijn vocabulaire ligt. Karakter is eenvoudig en simpel geschreven — iets wat ik prijs en waardeer. Er wordt soms oude Nederlandse woorden/zinnen gebruikt -- het boek speelt zich immers af rond 1930.  ”Hij zag nooit duidelijker dan nu de ontzaglijke afstand van man tot heer, van volk tot elite, maar vooral van man tot heer. Voor de man is het de moeilijkste opgave in zijn leven om heer te worden, niet te schijnen, te wòrden.”

Wat mij is opgevallen in het boek is de ontwikkeling van de personage; Jacob. Hij wordt omschreven als leergierig en hardwerkend; iemand die niet genoegen neemt om continue hetzelfde nutteloze werk te doen — Jacob heeft potentie en de mensen om hen heen zien dat — ook De Gankelaar. ”Hij was iemand van impulsen. Hij wilde nu ineens, dit ogenblik, Katadreuffe aan zich binden. Hij had een dwaze vrees dat de jongen hem nog kon ontglippen, dat hij die middag misschien iets anders zou hebben gevonden. Zo’n kerel moest overal inslagen.” Als hij eenmaal op het kantoor werkt, wordt het zijn streven om telkens hoger op te komen — helemaal als zijn vader hem elke keer in de weg loopt en ontwikkelt hieruit vervolgens een haat tegenover zijn vader. Uiteindelijk lukt het Jacob om de verwachtingen van zijn vader te voldoen maar, door zijn blindheid om zijn vader te overtreffen verloor hij niet alleen het zicht om te genieten van de kleine dingen in het leven maar ook zijn liefde Juffrouw te George. ”En toen hij terugliep was hij van twee dingen zeker, vooreerst dat hij zou worden toegelaten, ten tweede dat het absurd zou zijn zich kwaad te maken op een vader wiens pogingen steeds zwakker en stumperiger werden.” 




1 opmerking:

  1. Jenny, je uitleg en citaten zijn duidelijk, maar ik lees eigenlijk niets over de literaire waarde van je boek, dat is jammer.

    BeantwoordenVerwijderen