Ik vind persoonlijk dat mijn boek een taboe bespreekt –
namelijk depressie. Misschien is dit niet voor iedereen echt een taboe,
maar in mijn familie is dit wel zo. Mijn
familie, en ik denk dat dit geldt voor de meeste Surinaamse families, gelooft niet in depressies. Ze geloven niet
dat als je blij en vrolijk bent, dat je dan gedeprimeerd kan raken. En dat als
dat wel zo is, dat je niet genoeg je best doet, niet hard genoeg werkt voor wat
je wilt, etc. Ik denk dat dit boek goed weergeeft dat als je gedeprimeerd bent,
dat je dat niet van buiten kan zien, het zit van binnen. Matthijs Kleyn
beschrijft Vita eerst vrolijk, nonchalant – maar ook hoe ze verandert, hoe hij
(Hylke) Vita ervaart als ze hem haar
minder leuke kant laat zien. “Ik probeer te bedenken of ik het antwoord op haar
vraag weet, maar hoor het woord depressies door m’n hoofd galmen. Wist ik nou wel
of niet dat ze daaraan leed?”
Ook vergroot het boek je wereld- en mensenbeeld. Net zoiets
als hoe het taboe doorbrekend is. Ik denk dat heel veel mensen ervan uit gaan
dat je het aan iemand kan zien of diegene depressief is. Terwijl je juist niet
aan iemand kan zien of diegene depressief is, want – en ik zeg dit uit ervaring
– depressieve mensen zijn letterlijk meesters in het doen alsof het allemaal
goed met ze gaat. Ik denk dus dat dit boek mensen aanleert dat je dus verder
moet kijken dan de buitenkant van een persoon. Dus dat je zeg maar, je meer
moet verdiepen in diegene zijn schijn. “Ik
wil dat Vita zich fijn en warm voelt, maar ik heb die illusie niet meer.”
Archana, goed gedaan.
BeantwoordenVerwijderen